Creativiteit meten? Een oproep tot ontwikkeling.

AfdrukkenDe OECD (Organisation for Economic Co-operation and Development) publiceerde afgelopen januari een rapport waarin een instrument voor het meten van creatief gedrag en houding bij leerlingen wordt gepresenteerd. Ik werd er op geattendeerd door een blog van Dick van der Wateren op onderzoekonderwijs.net. Het instrument is op diverse scholen in het Verenigd Koninkrijk getest en – met een reeks aanbevelingen – positief ontvangen. Voordat we met een dergelijk meetinstrument in Nederland driftig aan de slag gaan, moeten we mijns inziens eerst stil staan bij: (1) wat meet het?, (2) waarom meten we het? en bovenal (3) wie meet het?

meetinstr1  meetinstr2 meetinstr3meetinstr4 Daarnaast vraagt een en ander ook om ontwikkelingen binnen ons Nederlandse onderwijs die niet van vandaag op morgen zijn neergezet, maar wel vandaag in gang kunnen worden gezet. Net als Dick sluit ik af met een oproep. 

Lees de bijsluiter!

De interesse in het meten van creativiteit begint in onderwijskringen toe te nemen. Ik merk dat aan bepaalde blogs op deze site, die meer en meer gelezen worden, aan de zoektermen die naar Vindingrijk verwijzen en aan de vraag die mij steeds vaker gesteld wordt; “Kun je creativiteit meten, David?” Ja, dat kan, maar let op de bijwerkingen, lees de bijsluiter. Bij deze.

Wat meet het?

Het rapport van het OECD (zie bronnen) is gebaseerd op een breed onderbouwde kijk op de betekenis van creativiteit (hoewel ik tot mijn spijt bijvoorbeeld Teresa Amabile, Carol Dweck en Teresa Cremin in de bronvermelding mis).
De meeste creatviteitsonderzoekers zijn het er tegenwoordig over eens dat creativiteit wordt bepaald door een dynamisch complex van factoren (zie o.a. Amabile, 1996 “creative performance components”, Sternberg, 2003 “creative resources”, Czikszentmihalyi “systems perspective”, 1999). De onderzoekers van het OECD rapport komen op basis van literatuurstudie tot vijf kenmerkende factoren in houding en gedrag die je te samen een beeld kunnen geven van de manifeste creatieve capaciteiten van een leerling: nieuwsgierigheid, verbeelding, doorzettingsvermogen, discipline en samenwerking. Iedere factor is nader omschreven in 3 “subs” en kan op twee schalen gescoord worden; de mate waarin het gedrag zich manifesteert en de – zeg maar – kwaliteit ervan. De afbeelding van het meetinstrument geeft daar een idee van, voor details verwijs ik naar het rapport zelf.

creativity-instrumentHet instrument meet dus vooral zichtbaar gedrag en houding. Voor het ontwikkelen van creatieve competenties bij leerlingen kan dit de leerkracht op het verkeerde been zetten. Want creativiteit wordt ontwikkeld en mogelijk gemaakt door factoren die hier geheel of ten dele verborgen blijven, zoals (parate) kennis, intelligentie (“enkel of meervoudig”), omgeving en motivatie (Sternberg, 2003). Wanneer je creatief gedrag wilt beïnvloeden en ontwikkelen zul je je daar bewust van moeten zijn. Ook gaat het voorbij aan de dynamiek van het creatieve proces waarin bepaald gedrag en houding gedurende het proces afwisselend een stimulerende of juist remmende werking uitoefenen.

Waarom meten we het?

De onderzoekers geven duidelijk aan dat het een formatief meetinstrument is, te gebruiken voor het vaststellen van voortgang en ontwikkeling van creativiteit in leerlingen en dus en niet voor “examineren”. Dat is goed nieuws, want als we creativiteit gaan examineren dan zijn we denk ik op de verkeerde weg. Een meet- of volginstrument voor creativiteit moet de ontwikkeling van het creatieve potentieel dienen, die is voor ieder kind uniek en de ontwikkeling daarvan is naar eigen vermogen. Liever zag ik geen meetschalen, maar een beschrijving van de ontwikkeling van kinderen in relatie tot de genoemde factoren. Weet dat er op dit moment aan een dergelijke ontwikkelingslijn gewerkt wordt en dat ik dat op de voet en actief volg. Hiermee kunnen leerkrachten observaties doen en beslissingen nemen ten aanzien van de creatieve ontwikkeling van de leerlingen en hoe die het best te faciliteren. Wat mij op het derde punt brengt.

Wie meet het?

Het gepresenteerde en geteste meetinstrument bestaat dus uit een complex van factoren en een meetschaal, waarop de ontwikkeling van zichtbaar creatief gedrag en houding kan worden geplot en gevolgd (mits als volginstrument gebruikt). Het “gevaar” zit hem in de ogenschijnlijke eenvoud van dit Ei van Columbus. Het instrument geeft alleen de structuur, de schalen en de beschrijving daarvan. Het staat of valt bij wie het meet, dat zijn de “sensoren”. Zijn ze gevoelig genoeg en goed ingesteld? Het gaat hier niet om een liniaal – al doet het instrument aan een stervormige liniaal denken. Het gaat hier om een leerkracht die – gedurende langere tijd – waarneemt en observeert en die observaties vertaalt naar een beeld van de leerling in ontwikkeling. Dat vraagt om leerkrachten die “geschoold” zijn in het waarnemen van creatief gedrag en houding, en ook in de vaardigheden en randvoorwaarden die creatieve ontwikkeling mogelijk maken. Een leerkracht die weet wat hij meet, waarom hij dat meet en hoe. De leerkracht moet de meetresultaten kunnen interpreteren en gebruiken in het ontwikkelingsproces.

En nu zonder het woord ‘meten’: Dat vraagt om leerkrachten die de ontwikkeling van creativiteit in kinderen ten volle kunnen ondersteunen; die weten waar het over gaat en weten hoe dat gaat.  Dat leer je niet uit een handleiding of tijdens een korte training (en ook niet uit een bijsluiter), dat is – ook – een ontwikkelingsproces.

Voorsprong

Het instrument is ontwikkeld in het Verenigd Koninkrijk, waar creativiteit – mede door de inspanningen van de bekende Sir Ken Robinson, (All our futures, 1999) – al langere tijd op de onderwijsagenda staat en een plek in het curriculum heeft verworven. In het Verenigd Koninkrijk hebben leerkrachten daarin een voorsprong op ons en hebben zich in de hoek van creativiteit meer ontwikkeld. In Nederland spreken we al jarenlang over kenniseconomie en creativiteit, als onontbeerlijk voor de welvaart van ons land en inwoners, maar het is in de politiek vooralsnog met name bij “lipservice” gebleven. Gelukkig zijn er ook een flink aantal “lokale” initiatieven en projecten van leerkrachten, universiteiten en andere betrokkenen, die niet op creativiteit wilden gaan wachten; ik denk aan Toeval Gezocht, Talentenkracht, Het Ideeëntoestel en… tja, aan Vindingrijk.

Inhaalslag

We zijn toe aan een inhaalslag. Er lopen in Nederland veel leerkrachten rond die er naar verlangen om creativiteit meer aandacht te geven binnen de onderwijspraktijk. Door onbekendheid met creativiteit (als te ontwikkelen vakoverstijgende competentie) en vaak ook weerstand uit de omgeving kunnen of durven zij de eerste stap niet te nemen. Er zijn evenzoveel leerkrachten die zonder dat ze er misschien bij stil staan de creatieve vaardigheden van kinderen ondersteunen en ontwikkelen.

We kunnen veel van elkaar leren.  Laten we dat doen. Wil jij je ervaringen met creatief denken in de klas delen, met je collega’s? Wil jij je vragen en onzekerheden over deze onderwerpen kenbaar maken? Ik wil graag faciliteren en bijdragen. Zo staat deze blog open voor reacties en dialoog. More is yet to come.

willenkunnenbrugLR

*Bronnen

  • Lucas, B; Claxton, G; Spencer, E – OECD, Working paper No. 86 “Progression in student creativity in school” , 10 januari 2013
  • Wateren, Dick van der; Nieuwe methode om creativiteit van leerlingen te meten , 9 februari 2013, onderzoekonderwijs.net
  • Amabile, T – Creativity in context, 1996
  • Dweck, C – Mindset, 2006
  • Cremin, T e.a – Creative Teaching for Tomorrow, 2009
  • Sternberg, R – Creativity as a decision making process (uit: Creativity and developement, 2003, Swayer e.a.)
  • Cziksentmihalyi, M – Implications of a systems perspective for the study of creativity (uit: Handbook of creativity, 1999, Sternberg e.a.)
  • Robinson, K e.a. – All our futures – 1999
Advertenties

Over davidvdkooij

Passie voor Creatief Denken en Onderwijs.
Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

17 reacties op Creativiteit meten? Een oproep tot ontwikkeling.

  1. Annemarie Roël-Looijenga zegt:

    Creativiteit bevorder je het meest als je de leerlingen gelegenheid biedt zelf het effect van hun eigen creativiteit te meten, zodat ze zichzelf kunnen verbeteren. De leerlingen zijn en blijven dan eigenaar van hun eigen (toets)resultaten, waardoor hun doorzettingsvermogen optimaal zal zijn.

    Uiteraard moet de leerkracht ook gelegenheid (activiteiten en middelen) en feedback bieden om tot verbetering te kunnen komen.

    • davidvdkooij zegt:

      Dank voor je reactie, Annemarie, waar ik in mee ga. De leerkracht schept leeromgeving waarbinnen creatieve ontwikkeling plaats vind. Activiteiten en middelen zijn daar onderdeel van. Hoe denk jij over de competenties van de leerkracht zélf om hierin als gids/rolmodel te kunnen fungeren?

      • Annemarie Roël-Looijenga zegt:

        Daar heb je een belangrijk punt. De leerkracht moet wel de ruimte krijgen om een leeromgeving te scheppen die past bij de leerlingen en opdrachten zo vorm te geven dat dat juist zijn/haar leerlingen uitgedaagd worden om aan het werk te gaan en niet die van de buurschool of een school in een andere stad. Hij/zij moet eigenaar zijn van de leeromgeving.
        Voor de vormgeving van leeromgeving en opdrachten heeft de leerkracht creativiteit nodig.
        Als hij/zij gesignaleerde onvolkomenheden in de leeromgeving en opdrachten benoemd naar zijn/haar leerlingen toe en de kinderen betrekt in de verbetering daarvan is hij/zij een duidelijk rolmodel.

  2. Pingback: Creativiteit meten? Een oproep tot ontwikkeling. | onderwijs en natuurkunde | Scoop.it

  3. Studenten van de Pabo InHolland hebben vorig jaar een afstudeerproject gedaan naar de competenties van een leerkracht om van creatief denken een succes te maken in de klas.

    De 5 aanbevelingen waren:
    1) De leerkracht moet informatie krijgen over creatief denken en in een veilige omgeving eerst zelf ervaren wat je er mee kunt.
    2) Een leerkracht moet kunnen beschikken over een lespakket waarmee succeservaringen gecreëerd kunnen worden.
    3) De leerkracht dient een open houding te hebben, die van “Ja en…”
    4) De leerkracht heeft reflectiemomenten nodig om het materiaal beter te gaan beheersen en beheren.
    5) De leerkracht dient enthousiast en betrokken te zijn over het gedachtengoed van creatief denken (dan volgen de leerlingen vanzelf).

    David, jij kent ze al, maar het is wel goed om ze aan deze discussie toe te voegen. Zie ook mijn blog hierover (http://www.tasmaninnoveert.nl/de-nieuwe-leerkracht-2/)
    Al met al stel je een flink aantal denkpatronen ter discussie wanneer je ‘creatief denken’ een serieuze plaats binnen het onderwijs geeft. Dat lijkt me vooralsnog belangrijker dan een meetinstrument.

    • davidvdkooij zegt:

      Ja Jeroen, met veel plezier heb ik met de Pabo studenten die jij begeleidde, gewerkt en naar ze geluisterd. Hun bevindingen bevestigen voor mij dat het startpunt de leerkracht is; zowel in hun eigen creatieve ontwikkeling als in het aanreiken van instrumenten (ontwikkelingslijn, materialen). Twee vliegen – De ontwikkelingslijn die ik in de blog benoem en de lessencyclus “het Ideeëntoestel” – hebben al een klap gehad. Voor de ontwikkeling van de creatieve leerkracht maken we ook stappen, maar daar is het vooral de leerkracht zelf die de eerste stap moet maken (willen -> durven -> doen)

  4. Balans tussen gidsen en stimuleren creatieve ontwikkeling
    Je artikel heeft me aan het denken gezet over de rol van de docent ten aanzien van het stimuleren van de ontwikkeling van creativiteit bij kinderen.
    Twee dingen. 1. Ik denk dat iedere leerkracht het met je eens is dat het goed is om de creatieve ontwikkeling van kinderen te stimuleren en dat leerkrachten daarin een sleutelrol vervullen. 2. Ik denk iedere leerkracht het met me eens is dat docenten kinderen gidsen in hun ontwikkeling.

    Deze twee dingen kunnen wringen. Gidsen houdt namelijk per definitie ook ‘duiden’ in. En duiden remt in de kiem twee aantal aspecten van creatieve ontwikkeling: verbeelding en nieuwsgierigheid.
    Dat kinderen hun natuurlijke nieuwsgierigheid en verbeelding verliezen naarmate ze ouder worden (oftewel: gaan achteruit in hun natuurlijke ontwikkeling van nieuwsgierigheid en verbeelding) heeft trouwens niet alleen te maken met de duiding die ze krijgen van hun gidsen, maar ook alles met hun eigen behoefte aan het krijgen van duiding.

    Wil je als leerkracht werk maken van het stimuleren van de creatieve ontwikkeling van kinderen, word je dan eerst goed bewust van de wijze waarop je gidst, wat je gidst en hoe je omgaat met de behoefte van kinderen om duiding te krijgen. En vind vervolgens een goede balans.

    • davidvdkooij zegt:

      Een spijker op de kop Brechje. Het is niet alleen de omgeving die kinderen (vaak onbewust en onbedoeld) afremt in hun nieuwsgierigheid, maar ook de cognitieve ontwikkeling van de kinderen zelf waardoor zij gaan duiden en betekenis geven. Dat is noodzakelijk. De prijs die we – zij – betalen is afgeremde creativiteit. Daar moeten we doorheen breken door nieuwsgierigheid en experiment steeds weer ruimte te geven in lessen en activiteiten. Naast het behouden van deze kinderlijke nieuwsgierigheid maakt de cognitieve ontwikkeling het mogelijk om bewust creatieve denkprocessen op gang te brengen en op de juiste momenten in het creatieve proces in te zetten. Dat noem ik werkelijk én creatief leren. Een leerkracht die zich hiervan bewust is en daar gebruik van maakt, je mag hopen dat die bij jou in de groep staat.

  5. Hierbij wat aanvullingen en reacties op de post van David en de commentaren hierboven.
    Terecht stelt David dat het hier niet gaat om examineren. Het gaat om een diagnostisch instrument bedoeld om de ontwikkeling van een leerling te kunnen begeleiden. Het instrument wordt, zoals ik in mijn blog ook aangeef, niet alleen door de docent gebruikt. De leerling kan hiermee ook zijn eigen ontwikkeling bijhouden. In gesprek met de docent komen ze samen tot een ‘score’, die een idee geeft van de ontwikkeling tot dat moment. Beiden kunnen dan bepalen wat de leerling nodig heeft om verder te groeien.
    Het meetinstrument dat David hier afbeeldt – en dat ook op mijn blog staat – werd door de onderzoekers in de eerste fase van hun onderzoek met een groep pilotscholen gebruikt. In de tweede fase gebruikten ze vragenlijsten die de leerlingen en docenten invullen. Die geven een wat gedetailleerder beeld dan de scorekaarten. De onderzoekers hebben mij die vragenlijsten toegestuurd. Beide lijken mij prima bruikbaar, maar dat zou ik graag met een groep enthousiaste docenten uitproberen (zie onder).
    Jeroen stelt terecht dat het lesmateriaal gelegenheid moet geven om creatief te denken. Dat houdt in: het bedenken van meerdere oplossingen voor een probleem of meerdere antwoorden op een vraag. Het huidige lesmateriaal traint kinderen voor het ‘goede’ antwoord te geven op een vraag en niet het stellen van de juiste vragen. Creatief denken vraagt een onderzoekende houding en daarvoor bieden de meeste lesmethoden geen of te weinig ruimte. Ikzelf ben betrokken bij het schrijven van digitaal lesmateriaal (natuurkunde), dat daarvoor allerlei mogelijkheden aanreikt.
    Het goede van dit coachingsinstrument is dat het ook de docent kritische feedback geeft, zowel over de gebruikte methode als over het eigen functioneren.
    Dit voorjaar wil ik in het kader van TheCrowd.nl een workshop geven over creativiteit in de lessen. Ik kan me voorstellen dat Vindingrijk iets dergelijks wil doen. Laten we de handen ineen slaan en kijken wat we ieder afzonderlijk, of juist samen, kunnen organiseren.
    Het gaat mij er vooral om iets te ontwikkelen dat in de klas praktisch bruikbaar is. Dus geen gecompliceerde tests, maar een instrument waarmee de leerling en de docent snel kan bepalen hoe het ermee staat en waaraan behoefte is. Laten we het niet ingewikkelder maken dan nodig is.

    • davidvdkooij zegt:

      Dick, fijn om een reactie van je te krijgen. Terecht wijs je op het bestaan van de vragenlijsten in de tweede ronde van de studie werden ingezet. Mijn zorg is vooral die, dat leerkrachten uit – overigens vast goed bedoeld – pragmatisme zullen grijpen naar de “schijf van vijf”. De leerkracht moet mijns inziens goed getraind zijn in creativiteit en creatief denken wil hij effectief met een dergelijk instrument of vragenlijst aan de slag gaan en m.n. interpreteren. De extra dimensie waarin de leerling zelf ook zijn eigen creatieve ontwikkeling observeert en kan sturen vind ik zeker toevoegen. We delen een passie. Graag zou ik eens samen met je van gedachten wisselen over of en hoe wij synergie kunnen vinden. In the crowd or anywhere else.

    • Anne zegt:

      Hoi Dick,
      momenteel ben ik bezig vanuit de ECHA opleiding om een scriptie te schrijven over het creatief denkvermogen. Ik ben daarbij op zoek naar de mogelijkheden om creativiteit te meten. Nu noem je in je reactie hierboven de nieuw ontwikkelde vragenlijsten. Zou ik deze mogen ontvangen om te kijken of ze een toegevoegde waarde hebben binnen mijn onderzoek?

      Ik hoor graag van je!

      Groet,
      Anne
      a.koolen@heiakker.nl

    • Jos BOl zegt:

      Beste Dick,,

      Ik volg al een tijdje jouw inspirende BLOG i.v.m. creativiteitsontwikkeling en het Engelse onderzoek over de “meting”daarvan. In bovenstaande reactie schrijf je dat je de vragenlijsten hebt ontvangen van de onderzoekers.
      Ik ben bij de provinciale stichting Kunst Centraal(Utrecht) bezig met ” onderzoek” naar creatief vermogen. met 66 PO scholen in de provincie gaan we hiermee aan de slag.
      Graag zou ik de vragenlijsten ontvangen ter informatie. is dat mogelijk? Graag volg ik jullie ervaringen in het VO.

      vriendelijk groet
      Jos Bol

  6. Pingback: Creativiteit meten? Een oproep tot ontwikkeling. | Liv's onderwijstips | Scoop.it

  7. Manu De Bruyn zegt:

    Hierbij een reactie vanuit België:
    Als een verkeerslicht op rood springt, heb ik graag dat mijn kind stopt. Sommige problemen vereisen een éénduidige oplossing en het is de taak van het onderwijs om daar aandacht aan te besteden. Maar als het onderwijs te éénzijdig inzet op het vinden van éénduidige oplossingen, verliezen kinderen de capaciteit om bij complexe problemen meerdere oplossingen te bedenken.In een wereld die complexer wordt zullen ze meer en meer flexibel moeten kunnen denken. Het is m.i. dan ook nodig om in het onderwijs beide denkwijzen parallel en aanvullend op elkaar te ontwikkelen en om dit te blijven doen over de jaren heen. Zeker gedurende jaren dat de groepsdruk groot is (vb. de peergroep tijdens de pubertijd) en conformeren aan de groepslogica heel dwingend kan zijn, is het blijven stimuleren van creativiteit een opdracht van elke school. Persoonlijk denk ik dat het voor de ontwikkeling van creatief denken een goede zaak is om te werken aan ontwikkelingslijnen of groeilijnen voor zowel leerlingen als leerkrachten en dit zowel op het individuele vlak als op het vlak van de klasgroep. Het onderscheid tussen logisch denken en creatief denken is voor vele leerkrachten en leerlingen nog onbekend, daardoor soms onbemind en soms verwarrend. Het kunnen beschikken over goede informatie over creatief denken en zelf (succes)ervaring kunnen opdoen is hierbij een belangrijke eerste stap. Daarna volgt m.i. de heel belangrijke factor van het creëren van een omgeving waarbinnen creativiteit kan en mag groeien.
    Er is in de voorgaande reacties hierover al veel gezegd. Ik wil binnen de discussie twee randvoorwaarden extra toelichten die voor de ontwikkeling van creativiteit heel belangrijk zijn:
    – Het creëren van veiligheid in de klas: een sfeer waar vertrouwen heerst tussen de leerlingen onderling en tussen leerkracht en leerlingen. Zonder vertrouwen zal creativiteit niet snel ontkiemen want dan overheerst de angst om uitgelachen of gecorrigeerd te worden. Goed omkaderde spelsituaties kunnen hier stapsgewijs aan bijdragen alsook een ‘open houding’ van de leerkracht.
    – De communicatiedrempels moeten laag worden gehouden, zodat iedereen gemakkelijk mee kan doen en creativiteit niet als ‘slechts voor enkelen’ wordt ervaren.
    Meetinstrumenten en creativiteitstesten kunnen naar mijn gevoel enkel als ze deel uitmaken van een grotere ontwikkelingslijn en als ze door specialisten ter zake worden uitgevoerd. Ik volg dan ook in grote lijnen de bedenkingen die David heeft over het gevaar van ‘de ogenschijnlijke eenvoud’ van een dergelijk meetinstrument. In handen van ongeschoolde waarnemers kan het leerlingen al snel ‘in een hokje’ plaatsen (ook al is dit niet de bedoeling van de onderzoekers) en dit doet noch de leerling, noch het meetinstrument eer aan.
    Liever zie ik leerkrachten en leerlingen vertrekken van hun eigen ‘Graad van zelfzekerheid’ op het vlak van creativiteit. Laat leerlingen en leerkrachten een indicatie geven van de mate waarin ze van zichzelf denken dat ze creatief zijn. Laat ze vervolgens een richting bepalen waarin ze verder willen groeien en biedt hierbij ondersteuning. Op deze website vind je heel veel inspirerend materiaal hiervoor.
    Zo blijft leerling en leerkracht gemotiveerd om open te staan voor nieuwe ervaringen, en stimuleer je meteen twee typische creatieve eigenschappen: motivatie en nieuwsgierigheid.

    Fijn dat zoveel mensen dezelfde passie delen om creatief denken een belangrijke plaats te geven in het onderwijs. ‘Chapeau’ voor dit initiatief!
    Manu De Bruyn

  8. Marielle Nijsten zegt:

    Een interessant onderwerp! Ik ben benieuwd hoe de vorig jaar genoemde initiatieven in dit blog intussen verlopen zijn? Mijn gedachten na aanleiding van creatieve lessen die ik op een school gezien heb:

    Je kunt je afvragen of school en de eigen meester of juf de juiste omgeving vormen voor het ontwikkelen van creativiteit. Veel lessen die kinderen krijgen vanaf groep 1 zijn gericht op het geven van het juiste antwoord of het namaken van de voorbeeldknutsels en de leerkracht is degene van wie een kind een gecorrigeerd schrift of een toets met cijfer terug krijgt. Een kind associeert heel snel school en juf met ‘goed of fout’. Thuis durven kinderen creatiever te zijn dan op school, waar ze zich vaak aanpassen aan het gemiddelde van de klas en de verwachting van de leerkracht.

    Aan de andere kant is ‘hoe gekker hoe beter’ ook geen goede graadmeter voor de kwaliteit van creatieve ideeën en oplossingen. Creativiteit hoeft niet zo zeer geduid te worden, maar kan door een leerkracht wel in een ontwerpproces of oplossingstraject gekanaliseerd worden. Maar in hoeverre behoort dit tot het repertoire van PO of VO leerkrachten? Zijn zij hiervoor opgeleid? Trekt het vak van leraar zoals het momenteel is ingericht creatieve doordenkers aan of creatieve knutselaars? (twee heel verschillende vormen van creativiteit)

    Creativiteit kan op verschillende momenten een andere vorm hebben. In de brainstormfase is creativiteit nodig, maar in de ontwerp- en realisatiefase ook. Dan uit het zich op een andere manier en zijn het vaak verschillende kinderen die over deze vormen van creativiteit beschikken.

    Zelfs als het lukt om creatief lesmateriaal toe te passen, dan is het meten aan de hand van vragenlijsten een grote beperking. Het geeft verbaal sterke kinderen een andere uitgangspositie dan kinderen die zich creatief beter uiten via beelden en uitbeelden. Maar een toetsformulier zet veel talige leerlingen ook in de verkeerde modus, omdat ze ‘toetsen’ toch weer associëren met ‘het juiste antwoord’ geven. Het risico bestaat dat je met een toets alleen de leerlingen ontdekt die de vragen goed kunnen invullen.

    Het inbrengen van creativiteit in het onderwijs, zit misschien niet zozeer in het geven van aparte ‘creatieve lessen’, maar in het aanmoedigen van doordenken, van diepere vragen stellen tijdens de reguliere lessen en daarin een filosofische houding van een kind waarderen. Dat vraagt om een grotere vrijheid en onvoorspelbaarheid binnen het curriculum, niet meer per se de hoofdstukken in de volgorde van het boek afwerken, een leerling iets laten uitzoeken dat eigenlijk buiten de kaders valt, durven tolereren dat een leerling vragen stelt die je als leerkracht niet kan beantwoorden, maar wel weten hoe je dan als een soort vroedvrouw het leerproces begeleidt.

    Wat ik me ook afvraag: de genoemde Britse toets, bevat veel elementen die ook in een IQ test gemeten worden. Is die relatie al onderzocht in de praktijk op scholen?

    • davidvdkooij zegt:

      Creativiteit is een keuze.

      Beste Mariëlle,
      Creativiteit is een veelzijdig begrip. En zodra je denkt door te dringen in een van de aspecten ervan komt je voor nieuwe wendingen en verrassingen te staan. Jouw reactie maakt op analoge wijze bij mij veel reacties los. Dat vind ik fijn want het zet me weer verder aan het denken over creativiteit. Aldus merkte ik dat ik nadacht in termen van motivatie, mijn persoonlijke motivatie om met dit onderwerp bezig te zijn. Daarom leest mijn reactie misschien deels als een persoonlijk manifest, net als een aantal berichten op deze site. Maar creativiteit is dan ook een keuze (Sternberg 2003):

      Ik koos ervoor om creativiteit bij andere mensen te helpen ontwikkelen, liefst al op jonge leeftijd. Mijn vertrekpunt is: Ieder mens heeft creatief potentieel, door dat te stimuleren en te ontwikkelen (anders kwijnt het weg) kan een mens beter omgaan met problemen en uitdagingen, en kan zich meer meester voelen over zijn doen en laten, het beste uit zijn talenten halen; ontplooiing. Om jonge mensen te kunnen raken heb ik ervoor gekozen om me te richten op onderwijs, in het bijzonder het PO: leerkrachten (ook die in opleiding) en leerlingen, in die volgorde, weer een bewuste keuze). Creativiteit staat niet van vandaag op morgen op de agenda van alle scholen in Nederland. Ik kies er dan ook voor om samen met scholen op te trekken die willen en en ruimte maken (visie en prioriteiten).
      Ook koos ik er voor (bij herhaling) om door te zetten en niet op te geven bij tegenslag, maar wel gesterkt door groeiend resultaat, bijval, en van de spiegels die leerkrachten en leerlingen mij voorhielden.

      Na een aantal jaar geëxperimenteerd te hebben (veel met kinderen gewerkt in projecten rondom creatief denken) ontstonden er op rij drie initiatieven: (1) Vindingrijk (deze website) met als doel interesse te wekken bij leerkrachten die wel iets met creativiteit willen maar zochten naar concrete handvatten (kunnen), (2) Het Ideeëntoestel (ontwikkelingslijn + lessencyclus) als – inmiddels geslaagd – experiment om creatieve ontwikkeling te observeren, te volgen en te stimuleren op basis van wetenschappelijke inzichten en (3) Creatief Denken in Onderwijs (www.creatiefdenkeninonderwijs.nl) een platform voor leerkrachten om ervaringen en kennis te delen (van ‘zenden’ naar ‘communicatie’). Het laatste initiatief is jong en verdient nog veel aandacht en energie, maar de resultaten die te zien zijn op de website zijn waardevol en geven een beeld van hoe het kan gaan groeien.

      Voor wat betreft het ‘meetinstrument’ dat OECD beschrijft, blijf ik erbij dat dit het haastig normeren van creativiteit en creatieve prestaties uitlokt (waar ik op zich niet tegen ben, want ja, je kunt het meten en moet dat doen als je er meer van wilt begrijpen, maar waar ik wel op tegen ben als het de richting van ‘examineren’ opgaat, en dat gevaar bestaat) ook al is dat niet de intentie van de onderzoekers geweest.
      Creativiteit is te complex en te dynamisch om in een momentopname gevangen te worden. Creatieve ontwikkeling volgen, uitdagen en sturen is het doel dat ik voor ogen heb. Een dergelijk instrument kan daarbij, mits met begrip ingezet, zeker een bijdrage leveren zoals het rapport ook aangeeft. De leerkracht moet daarvoor geëquipeerd zijn. En ja, dat is een uitdaging, ook voor de leerkracht die wil. Geen reden om bij de pakken neer te zitten, anders gebeurt er (weer) niets of in de marge.

      Creativiteit wordt nog steeds voornamelijk in verband gebracht met expressievakken. En zo zijn er nog veel meer vooronderstellingen t.a.v. creativiteit en creatief denken (ik ga er hier niet op in, ik benoem er een aantal in Het Grote Vindingrijkboek.)
      Anouk Wissink en ik maakten creatieve ontwikkeling zichtbaar en tastbaar in een ontwikkelingslijn en een concreet uitgewerkt lesprogramma (Het Ideeëntoestel), als startpunt voor leerkrachten om creatief denken te leren kennen en er les in te gaan geven. Na deze min of meer ‘cursorische’ kennismaking wordt de stap genomen om verbinding te maken met het bestaande lesprogramma. Zodat e.e.a. zijn toepassing krijgt.
      Onderzoek heeft aangetoond dat lessen in creatieve denkvaardigheden als divergent denken, probleem oplossen en ontwerpen, blijvend vruchten afwerpt (Scott, Leritz en Mumford, 2013). Bewust kennis nemen van hoe creatieve denkprocessen werken (de wetenschap is hierin met sprongen vooruit gegaan het afgelopen decennium) werkt ook positief in op creatieve prestaties (Onarheim en Friis-Olivarius, 2013).

      Een paar gedachten bij intelligentie. Veelvuldig onderzoek laat zien dat creativiteit en intelligentie iets met elkaar te maken hebben. Om creatief te kunnen denken moet je kunnen denken (patronen herkennen, herschikken, nieuwe verbindingen maken om tot inzicht of noviteit te komen). Intelligentie en creatieve prestatie houden ‘gelijke tred’ tot zo aan een IQ van 120, daarboven lijkt het verband minder sterk en zelf te ontbreken (Sternberg en O’Hara, 1999). Een (zeer) hoog IQ staat dus blijkbaar niet garant voor (grote) creatieve prestaties. Binnen kringen van onderwijs aan (hoog)begaafden spreekt men van (hoog)begaafdheid als er sprake is van een hoog IQ én creativiteit (en intrinsieke taakmotivatie, ook weer een enabler van creativiteit, maar dit terzijde). Maar laten we niet vergeten dat creativiteit niet is voorbehouden aan (hoog)begaafden, het zit in ons allemaal, waiting to get out.
      Gardner (1999) gebruikt een definitie van intelligentie die impliceert dat creativiteit en intelligentie wellicht hetzelfde zijn of elkaar grotendeels overlappen: Een (tja, Gardner…) intelligentie is het vermogen om biologische en psychologische vaardigheden te activeren en daarmee dingen te creëren die binnen een culturele setting geaccepteerd en gewaardeerd worden. Het sluit aan op wat ik betoog in het blogbericht “Creatief Denken bestaan niet” op deze site, namelijk dat enkel denken bestaat en dat creativiteit er ‘slechts’ een manifestatie van is.

      Mijns inziens heeft het onderwijs een verantwoordelijke taak in het ontwikkelen van creativiteit (in de brede zin van het woord, over de grenzen van expressie, kunst en cultuur heen). Het is namelijk een competentie die in deze tijd (in welke tijd niet eigenlijk?) meer onontbeerlijk is dan ooit voor het welzijn en de welvaart van individu én samenleving. Als samenleving moeten we dat dan wel borgen, in onderwijs. Maar dat is wel een keus die we met zijn allen moeten maken, plat gezegd ‘in het stemhokje’ en dat kan overal staan, ook bij jou op school of in de klas).

      • Onarheim, B. En Friis-Olivarius, M. (2013). Applying the neuroscience of creativity to creativity training. Frontiers in Human Neuroscience, October 2013, Volume 7, Article 656
      • Sternberg, R.J. en O’Hara, L.J. (1999). Creativity and Intelligence. In Sternberg, R.J. Handbook of cre¬ativity. New York: Cambridge University Press
      • Sternberg, R.J. (2003). The development of creati¬vity as a decision-making proces. In Sawyer, K.R. Creativity and development. New York: Oxford University Press.
      • Gardner, H. (1999). Intelligence reframed: multiple intelligences for the 21st century. New York, Basic Books.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s